Rb. Den Haag 27 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:12538
Procesbelang, doorprocederen, gezinshereniging met ouders, minderjarigheid, meerderjarigheid, Italië, registratie, geboortedatum, geen identificerend documenten, gunstiger materiële rechtspositie, bewijsnood, geen claimakkoord, schouw, leeftijdsonderzoek, geen concrete aanknopingspunten, Eritrea, Basisregistratie Persoonsgegevens, BRP, Ambisig-arrest, expert-opinion van de Migration Law Clinic In het bestreden besluit is door verweerder evenwel expliciet overwogen dat de verklaringen van eiseres over haar identiteit geloofwaardig worden geacht. Uit de verklaringen van eiseres in het eerste gehoor en de daarop gemaakte correcties en aanvullingen volgt dat zij heeft verklaard te zijn geboren op 1 mei 2000. Derhalve kan door verweerder niet worden volgehouden dat in het bestreden besluit de identiteit van eiseres met inachtneming van de geboortedatum, zoals die bij de Italiaanse autoriteiten is geregistreerd, wordt gevolgd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in het bestreden besluit het volgen van de geboortedatum, zoals die bij de Italiaanse autoriteiten is geregistreerd, niet door verweerder deugdelijk is gemotiveerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ter zitting de gemachtigde van verweerder heeft aangegeven dat uit paragraaf 1 van het bestreden besluit 'Onderwerp van de beschikking' blijkt dat door verweerder ten aanzien van eiseres wordt uitgegaan dat zij is geboren op 1 januari 1999. Deze geboortedatum is gebaseerd op de registratie in Italië. De omstandigheid dat de gemeente Alkmaar op basis van de eigen verantwoordelijkheid eiseres heeft geregistreerd met de door haar opgegeven geboortedatum 1 mei 2000, laat onverlet dat verweerder in tegenstelling tot de gemeente Alkmaar uitgaat van de meerderjarigheid van eiseres op basis van de in Italië geregistreerde geboortedatum. Met de ingebrachte stukken van de gemeente Alkmaar heeft eiseres dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet de onjuistheid van de registratie in Italië aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft verder geen stukken ter onderbouwing van haar gestelde minderjarigheid ingebracht, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van bewijsnood. De rechtbank is ook van oordeel dat het beroep op bewijsnood faalt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in het ambtsbericht de minister van Buitenlandse Zaken van 28 februari 2017 inzake Eritrea (p. 21) staat dat alle Eritreeërs die ouder zijn dan achttien jaar in het bezit zijn van een identiteitskaart, zodat het voor een minderjarige Eritreeër niet mogelijk is een authentieke identiteitskaart te overleggen. Dit betekent echter nog niet dat in dit geval dient te worden geoordeeld dat sprake is van bewijsnood. Uit het Ambisig-arrest van het HvJ-EU (rechtsoverweging 41-42) is op te maken dat geen sprake is van evenredigheid als verlangd wordt te bewijzen dat het absoluut onmogelijk is om bepaalde documenten te verkrijgen en dat als het onmogelijk is om dergelijke documenten te verkrijgen alternatief bewijs dient te worden geaccepteerd. Hoewel uit de expert-opinion van de Migration Law Clinic volgt dat de feitelijke en veilige verkrijging van bewijsdocumenten, zoals door de IND wordt vereist van Eritrese asielzoekers, verre van duidelijk is, acht de rechtbank het niet op voorhand onmogelijk dat een Eritreeër als (een begin van) bewijs van een gestelde minderjarige geboortedatum ter onderbouwing een kopie (vgl. het arrest van het EHRM in de zaak M.A. tegen Zwitserland van 18 november 2014, het origineel is immers in het bezit van haar vader of moeder) van het paspoort van één van zijn ouders inbrengt waarop hij/zij als minderjarig kind is ingeschreven. De rechtbank oordeelt dat, nu eiseres er niet in is geslaagd om met identificerende documenten aannemelijk te maken dat de in Italië geregistreerde geboortedatum uit 1999 onjuist is, verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in dit geval terecht van uit heeft mogen gaan dat de registratie van de geboortedatum in die lidstaat zorgvuldig heeft plaatsgevonden en geen aanleiding heeft hoeven zien om aan haar een leeftijdsonderzoek aan te bieden. Nu verweerder in het verweerschrift en ter zitting alsnog afdoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom bij de personalia van eiseres van de door de Italiaanse autoriteiten geregistreerde geboortedatum wordt uitgegaan en de verklaringen over haar identiteit voor wat betreft de hier te lande opgegeven geboortedatum dus niet geloofwaardig worden geacht, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in zoverre met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, Awb in stand te laten.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 15 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2219
- ABRvS 9 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2159
- ABRvS 14 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1911
- ABRvS 30 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1454
- ABRvS 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:881
- ABRvS 20 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:780
- ABRvS 17 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:134
- EHRM 23 augustus 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0823JUD005916612
- EHRM 18 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD005258913
- EHRM 10 juli 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0710JUD000226010
- EHRM 10 juli 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0710JUD005270109
- EHRM 29 januari 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0129JUD006036710
- EHRM 18 december 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:1218JUD002877409
- EHRM 2 oktober 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:1002JUD003321011
- EHRM 25 september 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0925JUD005052009
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:530