Rb. Den Haag 26 januari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:941

Het betoog van verzoeker dat hem ten onrechte een inreisverbod is opgelegd op basis van oude strafrechtelijke veroordelingen, faalt. Op grond van artikel II van het Wijzigingsbesluit van 26 maart 2012, Stb. 2012, 158 en de Nota van toelichting blijft dit besluit buiten toepassing ten aanzien van de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit, niet kon worden beëindigd, tenzij hij zich na de inwerkingtreding van dit besluit (per 1 juli 2012) wederom schuldig maakt aan misdrijven. Blijkens het Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van (..) heeft verzoeker zich op (..) 2014 opnieuw schuldig gemaakt aan een misdrijf (geweldsmisdrijf). Gelet hierop is het aangescherpte artikel 3.86 van het Vb 2000, zoals dat luidt na 1 juli 2012, van toepassing op verzoeker en mocht verweerder ook de voor die datum gepleegde misdrijven in de beoordeling betrekken. Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake. Het beroep op artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000 faalt. Niet in geschil is dat de wet op het door verzoeker op (..) 2005 gepleegde misdrijf een gevangenisstraf stelt van minstens zes jaren. Verweerder maakt aannemelijk dat het door verzoeker gepleegde misdrijf ook een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad. Het betoog van verzoeker dat de verblijfsbeëindiging een disproportionele inbreuk betekent op zijn recht op eerbiediging van het privéleven als bedoel in artikel 8 van het EVRM, faalt. Verweerder heeft alle van belang zijnde feiten of omstandigheden, waaronder de lange duur van verzoekers verblijf in Nederland en de hier te lande door hem opgebouwde sociale en culturele banden, kenbaar in de belangenafweging betrokken. Verweerder laat niet ten onrechte zwaar in het nadeel van verzoeker wegen dat hij in de periode vanaf 2000 tot en met maart 2015 veel en ernstige strafbare feiten heeft gepleegd, waaronder geweldsmisdrijven. De voorzieningenrechter volgt verzoeker voorts niet in het betoog dat onvoldoende zwaarwegende redenen aanwezig zijn voor het opleggen van een (zwaar) inreisverbod, omdat hij geen actueel, werkelijk en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving. Verder acht de voorzieningenrechter de door verzoeker aangevoerde individuele omstandigheden niet zodanig bijzonder dat verweerder in redelijkheid om humanitaire redenen van het opleggen van een (zwaar) inreisverbod had moeten afzien. Ook heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om op grond van artikel 8 van het EVRM af te zien van het opleggen van een (zwaar) inreisverbod.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken