Rb. Den Haag 2 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:8669

Artikelen 3.100 en 3.101 van de Wet IB 2001. De rechtbank oordeelt dat de eenmalige Bbz-uitkering die eiseres heeft ontvangen ten onrechte tot haar verzamelinkomen is gerekend. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de onderhavige situatie is voldaan het vereiste van periodiciteit. Het moment waarop moet worden getoetst of sprake is van periodiciteit, is het moment waarop de lening is omgezet in een bedrag om niet. Op het toetsmoment ontving eiseres geen Bbz-uitkering meer, maar een IAOZ-uitkering. Omdat de IAOZ-uitkering een andere ontstaansgrond heeft dan de Bbz-uitkering, worden beide uitkeringen niet uit dezelfde oorzaak ontvangen en is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van periodiciteit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken