Rb. Den Haag 13 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6624

Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 / Egypte als veilig derde land. Onduidelijk is op grond waarvan de staatssecretaris meent dat Egypte een veilig derde land is. In het bestreden besluit is het standpunt betrokken dat betrokkene al eerder toegang heeft gekregen tot Egypte, dat haar man de Egyptische nationaliteit bezit en niet is gebleken dat betrokkene niet voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar echtgenot en na verloopt van tijd voor naturalisatie tot Egyptenaar (staatsburgerschap) in aanmerking kan komen en dat Egypte ook om die reden gezien kan worden als voorliggende voorziening bij het aanvragen van asiel. In het bestreden besluit noch in het voornemen is duidelijk gemaakt waarom Egypte in de eerste plaats als veilig derde land kan worden aangemerkt, terwijl dit naar het oordeel van de rechtbank, gelet ook op artikel 38 van Richtlijn 2013/32/EU (herziene Procedurerichtlijn) en het feit dat het verzoek van betrokkene om internationale bescherming niet inhoudelijk wordt beoordeeld, een eerste vereiste is om deze derdelandenexceptie tegen te werpen. Deze beoordeling staat los van de vraag of betrokkene ook op niet-asielgerelateerde gronden verblijf kan krijgen. Eerst ter zitting heeft de staatssecretaris aangegeven dat Egypte als een veilig derde land wordt beschouwd omdat het land partij is bij het Vluchtelingenverdrag en het IVBPR. Nog daargelaten dat dit standpunt pas ter zitting naar voren is gebracht, is daarmee nog niet gegeven dat Egypte ook in materiële zin handelt conform genoemde verdragen en dat betrokkene ook in een voorkomend geval in Egypte de mogelijkheid heeft om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien zij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag en niet wordt blootgesteld aan refoulement. Van een dergelijk onderzoek van de zijde van de staatssecretaris is niet gebleken. Dit klemt temeer nu in artikel 3.37e van het VV 2000 is bepaald dat de beoordeling of een derde land een veilig land is als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, onder c, van de Vw 2000, dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de UNHCR, de Raad van Europa, en andere relevante internationale organisaties. Bovendien heeft de staatssecretaris tot taak de situatie in derde landen, die zijn aangemerkt als veilige derde landen, regelmatig opnieuw te onderzoeken. Daarenboven volgt uit artikel 38, vijfde lid, van Richtlijn 2013/32/EU, dat de lidstaten de Commissie op gezette tijden in kennis moeten stellen van de landen waarop het begrip ‘veilig derde land’ wordt toegepast. Het beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken