Rb. Den Haag 3 mei 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6247
Eiseres heeft als doel het geven van onderwijs aan kinderen met een verstandelijke beperking. Van 1 januari 2014 tot en met 30 september 2014 heeft eiseres twee werknemers, één als directeur en één als secretarieel medewerker gedetacheerd bij [Stichting Y]. Dit is een samenwerkingsorganisatie van diverse scholen voor kinderen met een verstandelijke beperking, langdurig zieke kinderen en kinderen met epilepsie. Eiseres en het [Stichting Y] zijn niet opgenomen in de lijst van Bijlage B, onderdeel b van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (Uitvoeringsbesluit). Eiseres bracht de loonkosten van de twee gedetacheerde werknemers aan het [Stichting Y] in rekening zonder daarover omzetbelasting in rekening te brengen. Verweerder heeft deze omzetbelasting nageheven. In geschil is of dit terecht is. De rechtbank oordeelt dat de Minister voornemens is geweest het [Stichting Y] als vrijgestelde ondernemer aan te wijzen, maar dat dit voornemen nooit is uitgevoerd. De vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onder f, Wet OB is dus niet van toepassing. Het beroep van eiseres op het Cito-arrest wijst de rechtbank op feitelijke gronden af omdat niet is gebleken dat de directeur en de medewerker onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten en evenmin is gebleken dat die werkzaamheden onontbeerlijk zijn voor het verlenen van onderwijs door het [Stichting Y]. Het beroep van eiseres op het overgangsrecht wordt eveneens afgewezen omdat ook daarvoor is vereist dat het moet gaan om nauw met het onderwijs samenhangende prestaties. De beroepen zijn voor een deel niet-ontvankelijk en voor een deel ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl