Rb. Den Haag 13 mei 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6018

Trefwoorden: Dublin, Bulgarije, vergewisplicht Wetsartikelen: artikel 20, lid 5, Dublinverordening, artikel 3 EVRM, artikel 4 Handvest Samenvatting: Bulgarije heeft het terugnameverzoek van Nederland geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Tussen partijen is discussie over wat deze acceptatiegrond zegt over de status van de asielprocedure van eisers in Bulgarije. De status van de asielprocedure in Bulgarije is van belang voor het antwoord op de vraag hoe eiser bij terugkeer wordt opgevangen. De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 20, vijfde lid volgt dat Bulgarije ervan uitgaat dat eisers eerste verzoek om internationale bescherming dat hij bij de Bulgaarse autoriteiten heeft ingediend, is ingetrokken. Verweerders standpunt dat uit de acceptatiegrond blijkt dat de asielprocedure van eiser in Bulgarije nog loopt, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Eiser heft gesteld dat bij terugkeer naar Bulgarije een reëel risico dreigt voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en/of 4 van het Handvest. Hij heeft in dat kader onder meer een beroep gedaan op het Aida-rapport van oktober 2015 en het ECRE/ELENA-rapport van februari 2016. Uit de door eiser aangehaalde rapporten blijkt niet of een vreemdeling van wie het verzoek om internationale bescherming in Bulgarije is ingetrokken en in het kader van de Dublinverordening terugkeert naar Bulgarije, zoals in dit geval, na aankomst in Bulgarije wordt gedetineerd of naar een opvangcentrum wordt overgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet uit te sluiten dat eiser na overdracht aan Bulgarije zal worden gedetineerd. Gelet op de detentieomstandigheden die uit de rapporten blijken en de door eiser aangevoerde en door verweerder geloofwaardig geachte persoonlijke ervaringen in detentie in Bulgarije, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gegeven zijn vergewisplicht, zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft mogen stellen dat door overdracht van eiser aan Bulgarije geen situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder is van de onjuiste veronderstelling uitgegaan dat het asielverzoek van eiser in Bulgarije nog loopt en heeft zijn standpunt over wat eiser in Bulgarije staat te wachten aan opvang onvoldoende gemotiveerd. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. De voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken