Rb. Den Haag 3 mei 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:5566

Verweerder heeft jegens eiser, van Albanese nationaliteit, een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van vijf jaar uitgevaardigd. Vaststaat dat eiser bij binnenkomst in Nederland in het bezit was van een biometrisch paspoort van Albanië. Niet in geschil is dat verweerder, alvorens tot het uitvaardigen van het terugkeerbesluit over te gaan, ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of eiser rechtmatig verblijf toekomt op grond van artikel 8, aanhef en onder i, Vreemdelingenwet 2000, omdat Albaniërs die houder zijn van een biometrisch paspoort vrijgesteld zijn van de visumplicht. Verweerder heeft het terugkeerbesluit daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb genomen. De rechtbank ziet in het aanvullend standpunt van verweerder dat, voor zover eiser rechtmatig verblijf toekwam op grond van artikel 8, aanhef en onder i, Vw, dit rechtmatig verblijf is geëindigd omdat eiser een inbreuk heeft gemaakt op de openbare orde, en de reactie van eiser op dat standpunt, aanleiding te beoordelen of vorenbedoeld gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden gepasseerd. Uit het arrest van het Hof van 14 juni 2012, C-606/10, in de zaak Anafe tegen Frankrijk (curia.europa.eu) volgt dat alle onderdanen van derde landen binnen het bereik van de Schengengrenscode vallen. De vraag of eiser, voorafgaand aan het uitvaardigen van het terugkeerbesluit, rechtmatig verblijf toekwam in de vrije termijn en of dat rechtmatig verblijf is geëindigd om redenen van openbare orde, dient daarom in de eerste plaats te worden beantwoord aan de hand van artikel 5 van de Schengengrenscode. Uit artikel 5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Schengengrenscode volgt dat geen recht op verblijf in de vrije termijn bestaat indien, voor zover hier van belang, de vreemdeling wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde.De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het door eiser aangehaalde arrest Z.Zh. en I.O. van het Hof van 11 juni 2015 slechts betrekking heeft op het onthouden van een vertrektermijn op grond van een gevaar voor de openbare orde als bedoeld in artikel 62, tweede lid, onder c, Vw dan wel artikel 7, vierde lid van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; de Terugkeerrichtlijn). In navolging van het Hof (paragraaf 54 van het arrest Z.Zh. en I.O.) is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat eiser is veroordeeld voor het gebruik maken van een vervalst reisdocument, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met zijn persoonlijke gedragingen en met het gevaar dat van die gedragingen uitgaat voor de openbare orde, onvoldoende is voor de vaststelling dat rechtmatig verblijf van eiser in de vrije termijn is geëindigd. Verweerder had moeten motiveren, onder verwijzing naar de persoonlijke gedragingen van eiser, dat sprake is van een actueel en daadwerkelijk gevaar voor de openbare orde. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om artikel 6:22 Awb toe te passen. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken