Rb. Den Haag 4 mei 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:5491
Vonnis in bevoegdheidsincident. Tussen partijen zijn al verschillende arbitrageprocedures gevoerd alsmede twee civiele procedures bij deze rechtbank. In beide civiele procedures heeft deze rechtbank zich op vordering van eiseressen onbevoegd verklaard, tegen welke vonnissen door gedaagde hoger beroep is ingesteld. Hangende de appelprocedures is de onderhavige procedure aanhangig gemaakt, waarna partijen in onderling overleg beide appelprocedures hebben doorgehaald. Vervolgens is door gedaagde in de onderhavige procedure een bevoegdheidsincident opgeworpen. Door thans de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter in te roepen, maakt gedaagde misbruik van haar processuele bevoegdheid. Naar het oordeel van de rechtbank impliceert de afspraak om de appelprocedures ‘uit hoofde van proceseconomie’ in te trekken immers dat in de onderhavige procedure een oordeel zou worden verkregen over het materiële geschilpunt dat partijen verdeeld houdt. Dat impliceert dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet opnieuw ter discussie zou worden gesteld. Indien gedaagde deze bedoeling niet had, had het onder de gegeven omstandigheid dat partijen al lange tijd procedeerden over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op de weg van gedaagde gelegen om bij het maken van de afspraak over de intrekking van de appelprocedures over die bevoegdheid expliciet aan eiseressen kenbaar te maken dat zij haar standpunt over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter had gewijzigd. Gelet op genoemd misbruik van de processuele bevoegdheid, zal de rechtbank op de betwisting van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter dan ook geen acht slaan. Nu gedaagde is verschenen in de procedure is de rechtbank op grond van artikel 24 EEX-verordening bevoegd om van de vordering van eiseressen kennis te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl