Rb. Den Haag 4 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:5058

Eiseres heeft een mvv gevraagd voor verblijf bij Nederlandse echtgenoot. De aanvraag is afgewezen wegens onvoldoende middelen van bestaan bij de echtgenoot. Eiseres beroept zich op artikel 7 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en het arrest Chakroun. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraken van de ABRvS van 17 december 2014 en 10 maart 2015 volgt dat artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de richtlijn, zoals uitgelegd in het arrest Chakroun van het HvJ, van overeenkomstige toepassing is op het in artikel 3.22, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb gestelde inkomensvereiste in de situatie van gezinshereniging met een Nederlander. Bij de beoordeling van het middelenvereiste zijn derhalve niet alleen de toepasselijke bepalingen van de Vw en het Vb van belang, maar dient ook de richtlijn te worden betrokken. Verder moeten naar het oordeel van de rechtbank de jurisprudentie van het HvJ en van de ABRvS zo worden begrepen dat ze ook van toepassing is op de duurzaamheid van de middelen. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de echtgenoot van eiseres beschikt over een flexibele arbeidsovereenkomst. Uit deze overeenkomst blijkt niet voor hoeveel uren hij maandelijks gegarandeerd tewerkgesteld is en wat zijn gegarandeerde minimum maandloon is. Verder blijkt niet dat de uit de overeenkomst verworven middelen nog minimaal één jaar beschikbaar zijn. Verweerder heeft tevens naar het arbeidsverleden van de echtgenoot van eiseres gekeken en heeft vastgesteld dat hij niet de afgelopen drie jaren aaneengesloten arbeid in loondienst heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank is de wijze waarop verweerder de aanvraag heeft getoetst niet in strijd met artikel 7 van de richtlijn of het bepaalde in de richtsnoeren en heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van stabiele en regelmatige inkomsten in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de richtlijn. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat uit de arbeidsovereenkomst niet blijkt voor welke periode deze is aangegaan, nu deze slechts vermeldt dat de overeenkomst is aangegaan voor de duur van de terbeschikkingstelling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken