Rb. Den Haag 30 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4919
Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiseres, gezinslid van een Turkse werknemer, met terugwerkende kracht ingetrokken. Verweerder heeft eerst ter zitting erkend dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat in het verleden met terugwerkende kracht vergunningen werden ingetrokken van Turken die onder de reikwijdte van artikel 13 van Besluit nr. 1/80 (de standstillbepaling vielen), op hem rust. Hieruit volgt al dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank stelt verder vast dat blijkens paragraaf A4/6.2.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1982 (supplement 6, van september 1991) de vergunning tot vestiging uitsluitend kon worden ingetrokken op grond van de in artikel 14, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 1965 genoemde omstandigheden. Uit de regelgeving blijkt niet dat destijds de mogelijkheid bestond om dit met terugwerkende kracht te doen. Uit paragraaf A4/8.1 van de Vc 1982 (supplement 4, van januari 1988) blijkt dat het intrekken van de artikel 10 lid 2 status niet mogelijk was. Anders dan verweerder heeft betoogd, blijkt uit voornoemde regelgeving daarom niet dat intrekking van een verblijfsvergunning van een gezinslid van een Turkse werknemer met terugwerkende kracht in het verleden mogelijk was. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
De uitspraak op rechtspraak.nl