Rb. Den Haag 25 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4914
Verweerder heeft eisers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ met terugwerkende kracht tot 1 februari 2014 ingetrokken. Verweerder heeft aan de intrekking ten grondslag gelegd dat eiser niet langer voldoet aan de beperking, waaronder de verblijfsvergunning is verleend. Op 28 februari 2014 heeft verweerder van eisers werkgever bericht ontvangen dat eiser sinds 1 februari 2014 bij dat bedrijf als kennismigrant in dienst is getreden. Verweerder heeft de werkgever echter niet erkend als referent als bedoeld in artikel 3.30a van het Vb 2000. Daarom wordt aangenomen dat eiser sinds 1 februari 2014 in Nederland niet meer werkzaam is als kennismigrant. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel XII, eerste lid, van de Wet modern migratiebeleid dat de met deze wet ingevoerde nieuwe referentensystematiek onmiddellijke werking heeft als een vreemdeling reeds voor inwerkingtreding van die wet tot Nederland was toegelaten op basis van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Op grond van artikel XII, tweede lid, van de Wet modern migratiebeleid, gelezen in samenhang met artikel XII van het Besluit modern migratiebeleid, is het eerste lid tot 1 juni 2018 niet van toepassing, indien de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van de verblijfsvergunning is ingediend voor 1 juli 2010. Nu eiser de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning voor die datum heeft ingediend, mist de in artikel XII, eerste lid, van de Wet modern migratiebeleid vervatte overgangsbepaling hier toepassing. Dat eiser de aanvraag om verlenging van deze verblijfsvergunning na 1 juli 2010 heeft ingediend, maakt dit niet anders, omdat de rechtbank gelet op de bewoordingen van het tweede lid de datum van aanvraag tot het ‘verlenen’ als uitgangspunt neemt. Dit betekent dat de met deze wet ingevoerde nieuwe referentensystematiek, en het met die wet in artikel 3.30a van het Vb 2000 ingevoerde vereiste dat de vreemdeling arbeid verricht of wil verrichten ten behoeve van een krachtens artikel 2c van de Vw 2000 als referent erkende werkgever, niet van toepassing zijn op eisers verblijfsvergunning. Beroep gegrond, vernietiging bestreden besluit en instandlating rechtsgevolgen, omdat de werkgever en daarmee eiser niet voldoet aan de vóór inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid gestelde voorwaarden voor vergunningverlening.
De uitspraak op rechtspraak.nl