Rb. Den Haag 15 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4390
Eiser, van Ethiopische nationaliteit, is ten tijde van het bestreden besluit bijna één jaar oud. Zijn moeder heeft een verblijfsvergunning asiel en zijn vader een reguliere verblijfsvergunning. Verweerder heeft geweigerd om aan eiser een reguliere verblijfsvergunning te verlenen omdat eiser geen paspoort heeft. Verweerder is van mening dat eisers vader zich kan wenden tot de Ethiopische ambassade in Brussel om daar een paspoort voor eiser aan te vragen. Volgens verweerder is het belang van de Nederlandse staat bij handhaving van het paspoortvereiste in dit geval (uitsluitend) gelegen in de mogelijke toekomstige gebeurtenis dat de verblijfsvergunning van eisers vader wordt ingetrokken, bijvoorbeeld bij verbreking van de huwelijksrelatie met eisers moeder. Tussen partijen is niet in geschil dat er voor eiser en zijn ouders een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Ethiopië uit te oefenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging, vereist in het kader van artikel 8 EVRM, in het nadeel uitvalt van eiser. Daarbij is van belang dat niet voor de hand ligt dat de vader zich wendt tot de Ethiopische ambassade voor het doen van een aanvraag om een paspoort voor eiser, reeds nu aan de moeder een asielvergunning is verleend en haar persoonsgegevens in de geboorteakte van eiser staan. Het beroep is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl