Rb. Den Haag 7 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4079

De rechtbank stelt vast dat de memo van verweerder van 1 januari 2015 over het nieuwe boetebeleid niet als beleidsregel is vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dat echter niet dat verweerder er niet aan gebonden is. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat alle boetezaken conform deze memo worden afgehandeld. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bestendige gedragslijn waaraan verweerder gehouden is en waarop eiseres een beroep kan doen. De rechtbank acht het voorts niet onredelijk dat verweerder stap 4f van voormelde memo bij de vaststelling van de hoogte van de boete niet heeft toegepast. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de aan eiseres opgelegde boete is opgelegd in overeenstemming met de jurisprudentie van de CRvB over boeteoplegging. Uit die jurisprudentie volgt niet dat de matiging als neergelegd in stap 4f op alle boetes dient te worden toegepast. Afgezien daarvan kan eiseres naar het oordeel van de rechtbank ook geen geslaagd beroep doen op het door verweerder bij stap 4f genoemde rekenvoorbeeld, nu de aan eiseres opgelegde boete onder het strafrechtelijk maximum uitkomt. Naar het oordeel van de rechtbank is het bedrag van de gewijzigde boete evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van eiseres. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de boete van € 4.770,-- verder te matigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken