Rb. Den Haag 13 januari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:265
Prejudiciële vraag, rechtmatigheid bewaring ex artikel 59b, eerste lid aanhef en onder a en b, Vw gezien geldigheid artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, Opvangrichtlijn. Ingevolge artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) is de rechtbank gehouden zich tot het Hof te wenden om, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de geldigheid van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, Opvangrichtlijn. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de rechtbank tot de hierna te formuleren prejudiciële vraag: Is artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, Opvangrichtlijn geldig in het licht van artikel 6 van het Handvest: (1) in de situatie dat een onderdaan van een derde land krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, Opvangrichtlijn in bewaring is gesteld en krachtens artikel 9 Procedurerichtlijn het recht heeft om in een lidstaat te mogen blijven totdat in eerste aanleg een beslissing op zijn asielverzoek is genomen, en (2) gelet op de Toelichting (PB 2007 C 303/02) dat de beperkingen die rechtmatig aan de rechten van artikel 6 Handvest kunnen worden gesteld, niet verder mogen strekken dan die welke door het EVRM in de tekst zelf van artikel 5, aanhef en onder f, zijn toegestaan en de uitleg van het EHRM van deze laatste bepaling in onder meer het arrest van 22 september 2015, Nabil e.a. tegen Hongarije, 62116/12, dat een bewaring van een asielzoeker in strijd is met voormeld artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, indien deze bewaring niet is opgelegd met het oog op verwijdering?
De uitspraak op rechtspraak.nl