Rb. Den Haag 24 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:2521
COA, art 9 Rva, art 17 Rva, noodzakelijke kosten Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 3 is overwogen, komt aan verweerder (het COA) alleen in zeer evidente gevallen een oordeel toe over het ontbreken van de noodzaak van het aanwenden van een procesrechtelijk middel. Daarbij rust op verweerder de bewijslast om aannemelijk te maken dat van een zo evident ontbreken van de noodzaak tot het maken van de kosten sprake is. Dat eiser in de onderhavige procedure een linguïst - de heer Van Driem – wenst in te schakelen leidt niet zonder meer tot te conclusie dat om die reden geen sprake is van noodzakelijke kosten in vorenbedoelde zin. Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de heer van Driem vanuit zijn deskundigheid uitspraken kan doen over de inhoud van deskundigenrapportage. Verweerder heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat dat anders is. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een zeer evident geval als hiervoor bedoeld, zodat aanleiding bestaat te bepalen dat verweerder de te maken kosten in verband met het laten verrichten van een contra-expertise documentenonderzoek aan eiser dient te vergoeden.
De uitspraak op rechtspraak.nl