Rb. Den Haag 19 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:17088

Eisers hebben de visa voor kort verblijf aangevraagd voor familiebezoek aan referent en zijn echtgenote in Finland. Verweerder heeft in vertegenwoordiging van Finland de aanvragen afgewezen, omdat eisers niet hebben aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte de inkomsten van referent uit zijn arbeidsovereenkomst onvoldoende heeft geacht om garant te kunnen staan voor het verblijf van eisers om de enkele reden dat deze middelen niet nog één jaar beschikbaar zijn, gerekend vanaf de datum van indiening van de visumaanvragen. In de Visumcode wordt een dergelijke eis immers niet gesteld. Uitgangspunt van de Visumcode is dat de aanvrager kan beschikken over middelen van bestaan voor de duur van het voorgenomen verblijf en voor zijn terugreis, waarbij rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden. Verweerder kan artikel 3.75, eerste lid, Vb niet zonder meer overeenkomstig toepassen op een aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf. Anders dan bij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, is immers geen sprake van een situatie waarin eisers voor een periode van langdurig verblijf moeten kunnen beschikken over voldoende middelen van bestaan. Eisers beogen met hun aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf immers een verblijf van maximaal 90 dagen. De enkele omstandigheid dat referent tijdelijk onbetaald verlof heeft opgenomen en daardoor tijdelijk geen of minder inkomsten heeft, biedt op zichzelf geen grond voor het oordeel dat referent gedurende het tijdelijk verblijf van eisers niet in hun kosten zal kunnen voorzien. Daarbij is van belang dat referent reeds gedurende 25 jaar werkzaam is geweest en salaris heeft ontvangen en na ommekomst van zijn verlof zijn volledige salaris weer zal ontvangen. Verweerder heeft daarom ook ten onrechte voor de beoordeling van belang geacht dat niet is gebleken dat de echtgenote van referent gedurende één jaar voorafgaande aan de visumaanvragen van eisers beschikte over haar eigen vermogen. Ter beantwoording van de vraag of het eigen vermogen van de echtgenote van referent voldoende is om in de kosten van verblijf en terugkeer van eisers te voorzien, heeft verweerder voorts ten onrechte uitsluitend het inkomen uit dat vermogen van belang geacht. De kosten van het verblijf voor de duur van maximaal 90 dagen kunnen worden geacht ook rechtstreeks uit het eigen vermogen te worden voldaan. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op de door eisers aangevraagde visa voor kort verblijf zo snel als mogelijk aan hen te verlenen

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen