Rb. Den Haag 11 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:16805
Eiseres is het niet eens met de hoogte van de leges voor de verleende mvv. Verweerder vindt de leges niet onevenredig hoog vindt in verhouding tot de kosten en geldigheidsduur van de nationale identiteitskaart, vanwege de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning (namelijk vijf jaar) en de werkzaamheden die daarvoor moeten worden verricht. Het legesbedrag is ook geen feitelijke belemmering voor gezinshereniging, gelet op de verhouding tussen het legesbedrag en de minimaal vereiste hoogte van het gezinsinkomen bij gezinshereniging. Verder vindt verweerder dat hier geen sprake is van een situatie zoals die in Italië aan de hand was volgens het arrest CGIL. De Nederlandse verblijfsvergunning is namelijk veel langer geldig dan die in Italië volgens de zaak CGIL en de verhouding met de kosten is daardoor al gunstiger. In het arrest Commissie tegen Nederland heeft het Hof geoordeeld dat een legesbedrag van ongeveer zeven maal de kosten van een nationale identiteitskaart in ieder geval te hoog is. Een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als gezinslid is ten opzichte van een nationale identiteitskaart ongeveer negen maal duurder. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerders motivering over de rechtvaardiging van deze verhouding niet toereikend is en niet voldoet aan de eisen van motivering die volgen uit de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1831).
De uitspraak op rechtspraak.nl