Rb. Den Haag 15 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:16620

Verweerder heeft de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen op grond van artikel 31 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit zijn vrees voor vervolging en het risico op schending van artikel 3 van het EVRM niet zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd heeft beoordeeld en dat Marokko in zijn geval ten onrechte is aangemerkt als veilig land van herkomst. De rechtbank ziet geen reden de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst in zijn geheel (exceptief) te toetsen maar volstaat met een oordeel of er gerelateerd aan het individuele geval van eiser uitgegaan mag worden van Marokko als veilig land van herkomst. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van de activiteiten van eiser gezien de feitelijke en juridische situatie Marokko ten onrechte als veilig land van herkomst heeft aangemerkt. Deze beroepsgrond slaagt. Dat geldt ook ten aanzien van het niet door verweerder onderzoeken van de mogelijkheden van het inroepen van bescherming. Mede gezien de door verweerder geloofwaardig geachte mishandelingen en het feit dat eiser zich bij terugkeer niet terughoudend hoeft op te stellen als het gaat om deelname aan demonstraties en dergelijke is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd heeft dat eiser niet geconfronteerd zal worden met een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Volgt vernietiging van het bestreden besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken