Rb. Den Haag 24 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:16599
Internationale kinderontvoering. Bezwaarschrift van de vader tegen beslissing van de Centrale autoriteit om verzoek tot teruggeleiding niet in behandeling te nemen. Ouders zijn eind 2014 gescheiden. De twee minderjarige kinderen zijn met ingang van augustus 2015 onder toezicht gesteld vanwege de zeer spanningsvolle relatie tussen de ouders en het ontbreken van contact tussen de vader en de minderjarigen. In januari 2016 is het gezamenlijk gezag tussen de ouders beëindigd en is de moeder belast met het eenhoofdig gezag. De vader is van deze beslissing in appel gegaan en heeft daarbij onder meer de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van deze beschikking verzocht. Het hof heeft in april 2016 dit laatste verzoek van de vader afgewezen. Tijdens de behandeling bij het hof heeft de moeder verklaard geen verhuizing in gang te willen zetten omwille van de rust van de minderjarigen. Het hof heeft eveneens meegewogen dat de gezinsvoogd, uit hoofde van de ondertoezichtstelling, het welzijn van de kinderen op het oog had. Twee maanden later is de moeder met de minderjarigen vertrokken naar Australië, zonder dit te melden aan de gezinsvoogd. Gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval is de rechtbank van oordeel dat de moeder heeft gehandeld in strijd met een gezagsrecht in de zin van het Haags Kinderontvoeringsverdrag, nu haar gezag door de ondertoezichtstelling is beperkt en zij met haar feitelijk handelen – gelegen in het verzwijgen van haar voornemen om met de minderjarigen naar Australië te emigreren – de bevoegdheden van de gecertificeerde instelling in het kader van de uitoefening van het ouderlijk gezag illusoir heeft gemaakt. Zij heeft eveneens de op haar rustende verplichting geschonden om de ontwikkeling van de minderjarigen met de andere ouder, de vader, te bevorderen. Daarmee heeft zij inbreuk gemaakt op het recht van zowel de vader als de minderjarigen op family life (artikel 8 EVRM). De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval sprake is van ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen naar Australië. Het bezwaar van de vader is gegrond verklaard, de bestreden beschikking van de Centrale autoriteit is vernietigd en de Centrale autoriteit is gelast het door de vader aan haar gerichte verzoek tot teruggeleiding in behandeling te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl