Rb. Den Haag 17 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1613

De werknemer, (xx-xx-1959), is van 20 maart 2014 tot en met 18 mei 2014 op basis van een arbeidsovereenkomst fase A bij AA in dienst geweest. De functie die de werknemer bij AA vervulde is die van Buschauffeur Keukenhof bij de werkgever Zuid-Noord. Vanaf 23 juni 2014 is de werknemer opnieuw bij de werkgever aan het werk gegaan. Ditmaal via BB, op basis van een uitzendovereenkomst fase 1 en fase 2. De laatste functie die de werknemer vervulde, is die van Autobuschauffeur. Binnen de organisatie van de werkgever is de cao voor het Openbaar Vervoer (hierna: de cao) van toepassing De werknemer vordert toelating tot eigen werkzaamheden, betaling achterstallig loon en emolumenten, wettelijke verhoging, rente, doorbetaling toekomstig loon en emolumenten, betaling kosten medische keuring en verlenging rijbewijs, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De vordering is gebaseerd op artikel 12 lid 4 van de cao. In geschil is de eerste voorwaarde van dit artikel: er dient sprake te zijn geweest van goed functioneren. Van belang is het vaststellen van de peildatum. Vaststaat dat het schriftelijke personeelsdossier van de werknemer bij de werkgever maar een zeer beperkte inhoud heeft gehad en dat informatie over het functioneren daarin niet opgenomen is. Er kan niet tot de conclusie worden gekomen dat er sprake is geweest van een situatie van niet goed functioneren, ook niet als de peildatum volgens de werkgever wordt aangehouden, te weten 18 mei 2015. De werkgever heeft de werknemer verweten schades, waarvan één voor 18 mei 2015, te hebben gereden en er is een vermoeden dat er sprake is van een alcoholprobleem. Ten aanzien van de schades is het door de werknemer aangevoerde niet of onvoldoende weersproken door de werkgever. De voorzieningenrechter is van oordeel dat bij deze stand van zaken volstrekt onvoldoende is komen vast te staan dat de werknemer ter zake van dit schade-incident een verwijt treft. Naar zijn oordeel kan daarom niet op basis van dit enkele schade-incident worden geconcludeerd dat de werknemer niet goed heeft gefunctioneerd in de zin van vorenvermeld cao-artikel. Gelet op het voorgaande is aan de eerste voorwaarde voldaan en heeft de werknemer recht op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ten aanzien van het vermeende alcoholprobleem meent de werkgever dat dit probleem reeds voor de peildatum van 18 mei 2015 bestond en daarmee geen sprake is van goed functioneren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de werkgever er voorshands niet in geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat er bij de werknemer van een zodanig alcoholprobleem sprake is geweest dat dit een ‘niet goed functioneren” in de zin van voormeld cao-artikel oplevert. De werkgever heeft nog aangevoerd dat de werknemer zich bij haar standpunt heeft neergelegd door na het gesprek op 1 juli 2015 zijn verkregen consignatie, kleding en sleutels in te leveren, maar hier wordt aan voorbij gegaan. Het inleveren vond plaats op verzoek van de werkgever. Deze handeling kan niet als het prijs geven van rechten worden aangemerkt. Daarvoor is een meer expliciete wilsuiting van de werknemer nodig. Bij de beoordeling van de overige diverse onderdelen van de vordering van de werknemer gaat de voorzieningenrechter uit van een arbeidsomvang van 24 uren per week conform artikel 12 lid 4 van de cao. De vorderingen worden met inachtneming van het voorgaande toegewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen