Rb. Den Haag 17 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14705
Betreft oplegging vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw 2000. Eiser voert aan dat aan hem voordat de maatregel werd opgelegd geen vragen zijn gesteld aangaande bijzondere individuele feiten en omstandigheden die de maatregel mogelijk onevenredig bezwarend voor hem zouden maken. Eiser betwist dat hij de antwoorden heeft gegeven die staan vermeld in het proces-verbaal van bevindingen. Hij begrijpt niet dat hem als asielzoeker zijn vrijheid is ontnomen. Eiser geeft aan wel een interview bij de KMar te hebben gehad. Hier is echter niet gesproken over vrijheidsontneming. De rechtbank overweegt dat uit artikel 5.2, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat van het gehoor van de voorafgaand aan het opleggen van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, 59a of 59b Vw, een proces-verbaal wordt opgemaakt. Het in artikel 5.2, vierde lid, Vb neergelegde vereiste van het opmaken van een afzonderlijk proces-verbaal van gehoor vormt een waarborg dat een precieze, en achteraf goed controleerbare weergave wordt gegeven van hetgeen is besproken tijdens het gehoor van de vreemdeling voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4063) waarin is overwogen dat verweerder ‘de rechter ten volle in staat moet stellen om de controle van de rechtmatigheid van het door hem genomen besluit uit te oefenen’. Niet valt in te zien dat dit anders zou zijn in het geval dat aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw wordt opgelegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat, analoog aan het bepaalde in artikel 5.2, vierde lid, Vb van het gehoor voorafgaande aan de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw een afzonderlijk proces-verbaal van gehoor moet worden opgemaakt. In het onderhavige geval is geen proces-verbaal van gehoor opgemaakt. Verweerder heeft eiser niet uitgelegd wat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel feitelijk voor hem zou inhouden en hij heeft evenmin duidelijk gemaakt dat het aan eiser was om eventuele bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel konden leiden dat in zijn geval van vrijheidsontneming moest worden afgezien. Gelet op de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling moest verweerder eiser zelf concrete vragen stellen over mogelijke bijzondere feiten of omstandigheden. De in het proces-verbaal van bevindingen vermelde vragen betreft standaardtekst die in het model van het proces-verbaal is opgenomen. Nu de weergegeven twee vragen in het proces-verbaal van bevindingen standaardteksten zijn die - naar de rechtbank ambtshalve bekend is - in vrijwel alle processen-verbaal in grensdetentiezaken zo staan, kan de rechtbank niet controleren of in het onderhavige geval twee vragen zijn gesteld met de formulering zoals weergegeven in de standaardtekst of dat door de verbalisant feitelijk in het gesprek met eiser een andere formulering is gebruikt. Uit de in het proces-verbaal van bevindingen ingevulde antwoorden “Geen problemen mee” en “Ik ben niet ziek en gebruik geen medicatie” op zichzelf bezien kan de rechtbank voorts niet opmaken of eiser uit de hem gestelde vragen heeft begrepen dat hij zou worden vastgezet en dat daarvan zou kunnen worden afgezien indien bij hem sprake zou zijn van persoonlijke belangen die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend zouden maken. Hier wreekt zich dat van het gehoor van eiser geen afzonderlijk proces-verbaal van gehoor is opgemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het proces-verbaal van bevindingen onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat verweerder aan de op hem rustende plicht voldaan om voldoende kennis te vergaren ten aanzien van de af te wegen belangen. Gelet op hetgeen eiser in zijn beroepsgrond heeft aangevoerd, kan de rechtbank dan ook niet uitsluiten dat eiser niet of onvoldoende heeft begrepen dat het opleggen van de maatregel feitelijk betekende dat hij zou worden vastgezet en dat hij de mogelijkheid had om persoonlijke belangen kenbaar te maken die verweerder er toe zouden kunnen brengen om in zijn geval van het opleggen van de maatregel af te zien. Maatregel van aanvang af onrechtmatig. Opheffing + schadevergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl