Rb. Den Haag 14 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:13250

Artikel 10 van de Dublinverordening kan niet zo worden gelezen dat alleen dan sprake is van een verzoek om internationale bescherming in de zin van deze bepaling, indien een verzoek overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van de Verordening is ingediend, dat wil zeggen een formeel verzoek middels een daartoe ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal. Eiser voert daarom terecht dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de echtgenote van eiser geen verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend, nu zij wel als asielzoeker in Duitsland is geregistreerd, en dat om die reden Duitsland niet verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser op grond van artikel 10 van de Verordening. Nu voorts de echtgenote van eiser een instemmingsverklaring heeft ondertekend, als bedoeld in artikel 10 van de Verordening, en op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening de in hoofdstuk III van de Verordening vastgestelde criteria aan de hand waarvan de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald, waaronder de artikelen 10 en 12, van toepassing zijn in de volgorde waarin zij voorkomen in de tekst, betoogt eiser terecht dat Duitsland, en niet Portugal, verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Nu het bestreden besluit, waarbij de aanvraag van eiser niet in behandeling is genomen, tevens geldt als weigering van de toegang, komt met de vernietiging van dat besluit ook de toegangsweigering te vervallen. De beslissing tot uitstel van de toegangsweigering maakt geen onderdeel uit van de beoordeling van het besluit tot toegangsweigering.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken