Rb. Den Haag 3 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1312
Eiser is het niet eens met afname van zijn biometrische gegevens ten behoeve van een machtiging tot voorlopig verblijf. Hij heeft daarom daartegen bezwaar gemaakt bij verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit 15 december 2014, voor zover dat ziet op het afnemen van biometrische gegevens, naar de rechtbank moeten doorsturen ter behandeling als beroepschrift. Het bestreden besluit is derhalve onbevoegd genomen. De rechtbank beoordeelt vervolgens of eisers tijdig beroep hebben ingesteld. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Eiser voert tot slot aan dat de verwerking en opslag van zijn biometrische gegevens een blijvende en absolute inbreuk vormt op het verbod van discriminatie en zijn recht op privacy, zodat de termijnoverschrijving verschoonbaar moet worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank voert eiser hiermee in feite aan dat de wettelijke termijn van vier weken om een rechtsmiddel aan te wenden tegen het besluit van 15 december 2014 in gevallen als het onderhavige buiten toepassing moet worden gelaten, zodat hij geacht moet worden tijdig te zijn opgenomen tegen dat besluit. Eiser wijst in dit verband op het arrest van 4 oktober 2012 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-249/11 (ECLI:EU:C:2012:608). Ook dit betoog volgt de rechtbank niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl