Rb. Den Haag 25 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:13017
Naar aanleiding van een controle in het kader van de “Actie afromen MO 2014” heeft verweerder aan eiseres, eigenaresse van een motortankschip met bunkertanks ten behoeve van de gasolie voor eigen gebruik, een naheffingsaanslag accijns opgelegd omdat zij de herkomst van de in haar bunkertanks aanwezige gasolie, waarvan het Solvent Yellow 124- gehalte niet conform de wettelijke vereisten was, niet kon aantonen waardoor zij geacht werd buiten een accijnsschorstingsregeling een accijnsgoed voorhanden te hebben waarover ten onrechte geen accijns is geheven. De rechtbank oordeelt dat de douaneambtenaren bij de monstername uit de bunkertanks bevoegd hebben gehandeld en dat de verwijzing van eiseres, inzake het aantal monsters en de wijze van monsterneming naar het Handboek Douane, haar niet kan baten nu het handboek weliswaar richtlijnen bevat maar dat daarvan blijkens de tekst mag worden afgeweken. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gang van zaken tijdens de controle de representativiteit van de monsters voor de inhoud van de bunkertanks heeft aangetast. De stelling van eiseres dat de bunkerraar haar andere gasolie heeft geleverd dan gefactureerd heeft zij tevens niet aannemelijk gemaakt waardoor zij niet is geslaagd in het bewijs van herkomst van de gasolie die in de bunkertanks is aangetroffen en is zij evenmin geslaagd in het bewijs dat over de gasolie accijns is geheven. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl