Rb. Den Haag 22 juli 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11589

Verweerder heeft de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Eiser is meerdere malen veroordeeld voor een misdrijf dat met een gevangenisstraf van zes jaar of meer is bedreigd. Eiser heeft met het plegen van deze misdrijven een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Daarmee is voldaan aan het bepaalde in artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a, Wetboek van Strafrecht als bedoeld in artikel 3.86, tiende lid, aanhef en onder a, Vb. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het arrest Z.Zh. en I.O. van het HvJ EU geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de uitleg aan het begrip ‘gevaar voor de openbare orde’ als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn naar analogie van toepassing is op nationaalrechtelijke bepalingen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder in zijn belangenafweging bij de vraag of inmenging in het recht op het uitoefenen van het familieleven dan wel privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar heeft betrokken en niet ten onrechte de belangenafweging in het nader van eiser heeft laten uitvallen. Verder heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom een inreisverbod voor de duur van tien jaar is uitgevaardigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken