Rb. Den Haag 16 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11178
Vonnis in kort geding in procedure tegen de Staat. Eiser is een Rwandees die vanaf 2000 een Nederlandse verblijfsvergunning heeft gehad. In 2011 is de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht ingetrokken wegens het ernstige vermoeden dat hij weet heeft gehad en medeplichtig is geweest aan handelingen als omschreven in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, nu uit onderzoek naar voren is gekomen dat hij actief heeft deelgenomen aan genocide in Rwanda. Na diverse bestuursrechtelijke procedures is eiser uiteindelijk begin 2015 uitgezet naar Rwanda, terwijl volgens eiser (i) de Staat wist dat hij bij aankomst in Rwanda direct zou worden gearresteerd en (ii) het door Rwanda tegen eiser uitgevaardigde internationale arrestatiebevel op het moment van uitzetting bij de Staat bekend was. Door eiser desondanks uit te zetten en niet een uitleveringsprocedure te volgen heeft de Staat volgens eiser onrechtmatig gehandeld. De voorzieningenrechter volgt de Staat niet in zijn stelling dat eiser niet in zijn vordering kan worden ontvangen. Onvoldoende aannemelijk is echter geworden dat de Staat jegens eiser onrechtmatig heeft gehandeld. De vorderingen van eiser worden afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl