Rb. Den Haag 8 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11017
[richtlijn langdurig ingezetene; bijstand; Chakroun] Eiser heeft betoogd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene. Daartoe stelt hij dat verweerder zijn individuele (inkomens)situatie had dienen te onderzoeken, waarbij hij heeft gewezen op zijn medische klachten, waardoor hij niet in staat is arbeid te verrichten. Volgens eiser biedt de richtlijn ruimte om af te wijken van de daarin opgenomen inkomensvoorwaarden. Ook is verwezen naar het arrest Chakroun van het Hof van Justitie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser, wegens zijn beroep op het stelsel van de sociale bijstand, niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene. Eiser kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de richtlijn ruimte biedt om ten gunste van de vreemdeling van de daarin gestelde voorwaarden af te wijken. De rechtbank overweegt daartoe dat in artikel 5, eerste lid, eerste lid, onder a, van de richtlijn, nadrukkelijk is bepaald dat de lidstaten van onderdanen van derde landen het bewijs verlangen dat zij voor zichzelf en de gezinsleden beschikken over vaste en regelmatige inkomsten zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Uit de formulering van deze bepaling, met name de imperatief geformuleerde woorden ‘de lidstaten verlangen’, volgt dat het lidstaten niet is toegestaan met voorbijgaan aan deze voorwaarde een verblijfsvergunning als ‘langdurig ingezetene’ te verlenen. Steun voor deze lezing is ook te vinden in de arresten Servet Kamberajen Shamim Tamir. Anders dan eiser betoogt betekent de vermelding in punt 9 van de considerans van de richtlijn dat economische gronden geen reden zijn om de status van langdurig ingezetene te weigeren, ook gelet op hetgeen is overwogen in punt 7 van de considerans, niet dat de richtlijn ruimte biedt om af te wijken van de daarin opgenomen inkomensvoorwaarden. Dat de lidstaten, gelet op artikel 13 van de richtlijn, permanente verblijfstitels of verblijfstitels van onbeperkte duur mogen afgeven onder gunstiger voorwaarden dan die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld leidt evenmin tot een ander oordeel. Zoals volgt uit het arrest Shamim Tamir ziet deze bepaling niet op de verblijfsvergunning als langdurig ingezetene. De verwijzing van eiser naar het arrest Chakroun treft geen doel. Nog daargelaten dat dit arrest betrekking heeft op de Gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 7 van die richtlijn, waarin de (inkomens)vereisten voor het uitoefenen van het recht op gezinshereniging zijn opgenomen, facultatief is geformuleerd, wordt aan eiser niet tegengeworpen dat zijn inkomen of dat van zijn gezinsleden te laag is, maar dat dit inkomen wegens het beroep op de publieke middelen niet zelfstandig is. Voor zover eiser met de verwijzing naar artikel 112 Vw 2000 heeft betoogd dat Nederland in nationale regelgeving van imperatief geformuleerde richtlijnbepalingen kan afwijken overweegt de rechtbank dat met artikel 112 Vw 2000 slechts beoogd is een wettelijke grondslag te bieden voor het stellen van nadere regels in het Vb 2000 en de Vc 2000, ter uitvoering van richtlijnen en verordeningen (vergelijk Kamerstukken II 1998/1999, 26732, nr. 3, pagina 1, 20 en 91). Daarbij komt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Vw 2000 is af te leiden dat de nationale wetgever niet heeft beoogd om met voorbijgaan aan de middelentoets de status van langdurig ingezetene te verlenen. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl