Rb. Den Haag 16 juli 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:8253

“Eiser heeft verzocht om compensatie van erkende feestdagen die samenvallen met de roostervrije dag waarop hij niet werkt. Eiser stelt dat hij een deeltijdwerker is, omdat hij minder dan 38 per week werkt. Daarentegen stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser een voltijdwerker is, nu eiser nog immer een aanstelling van 38 uur per week heeft. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat eisers arbeidsduur door gebruikmaking van de Regeling op grond van artikel 54e van het AMAR tijdelijk is verkort, niet maakt dat hij in deeltijd werkt. Eisers aanstelling is immers niet gewijzigd. Eiser is aangesteld voor 38 uur. Dit heeft hij overigens ook niet betwist. In de omstandigheid dat voor de tijdelijke verkorting van de arbeidsduur van 38 uur naar 36 uur per week op het maandsalaris van eiser in totaal 2 uur (0,5 uur per week) salaris wordt ingehouden en het aantal verlofuren niet verminderd wordt, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank ook een bevestiging voor het oordeel dat eiser niet in deeltijd werkt. Voorts overweegt de rechtbank dat het feit dat eiser gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van flexibilisering van de arbeidsduur conform artikel 54e van het AMAR als zodanig ook niet met zich meebrengt dat eiser op één lijn gesteld moet worden met een deeltijdwerker, nu dit artikel voor zowel voltijdwerkers als deeltijdwerkers flexibilisering van de arbeidsduur mogelijk maakt. Nu eiser geen deeltijdwerker is, faalt zijn rechtstreeks beroep op Richtlijn 97/81/EG betreffende de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid reeds om die reden. Ditzelfde geldt voor eisers beroep op het oordeel van het CRM van 12 augustus 2011, 2011-127, nog afgezien van de vraag of het oordeel van toepassing is op militaire ambtenaren. Ten aanzien van de stelling van eiser dat het tot 30 september 2013 staande praktijk is geweest om compensatie toe te kennen in het geval een feestdag samenviel met een vaste flexdag, overweegt de rechtbank dat, zo dit al het geval zou zijn geweest, hetgeen niet vast is komen te staan, dit niet in overeenstemming met het gevoerde beleid was, zodat verweerder niet gehouden is deze praktijk voor te zetten. Verweerder heeft het verzoek in redelijkheid kunnen afwijzen”.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen