Rb. Den Haag 3 juli 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7938

Omzetbelasting. Aftrek voorbelasting. Verzuimboete. Eiseres heeft (suppletie)aangiften ingediend voor 2009, 2011 en 2012 en daarin forse bedragen aan voorbelasting aangegeven. Verweerder heeft daarover vragen gesteld, waarop naar zijn mening niet bevredigend werd geantwoord. Daarom werd een boekenonderzoek aangekondigd, maar dit vond, onder meer door miscommunicatie tussen partijen, nooit plaats. Verweerder heeft de in aftrek gebrachte voorbelasting nageheven, waartegen eiseres vele uiteenlopende beroepsgronden aanvoert. De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor zover de eisen van eiseres niet strekken tot aanpassing van een besluit in de zin van artikel 26, eerste lid, van de AWR. Verder oordeelt de rechtbank dat het verweerder vrij staat een onderzoek in te stellen en dit onderzoek desgewenst uit te breiden tot andere tijdvakken. De rechtbank oordeelt verder dat de bewijslast voor het recht op aftrek bij eiseres ligt en eiseres in dat bewijs niet slaagt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wijst de rechtbank op feitelijke gronden af. Aangaande de verzuimboete oordeelt de rechtbank dat verweerder niet heeft bewezen dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan. De onmogelijkheid om een boekenonderzoek uit te voeren leidt weliswaar tot het vermoeden dat de voorbelasting ten onrechte is geclaimd en daarom terecht is nageheven, maar daarmee is nog niet aangetoond dat daadwerkelijk ten onrechte tot een te hoog bedrag teruggaaf is verleend. Beroep gegrond. Handhaving van de naheffingsaanslag. Vernietiging van de boete.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen