Rb. Den Haag 22 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7847

De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst van het beleid in B1/4.3.4 Vc (oud) noch uit de strekking daarvan, volgt dat het ‘overnemen’ van een onderneming ook inhoudt het ‘voortzetten’ door één van de medevennoten van een v.o.f. als eenmanszaak, zoals in casu het geval is. Daarbij is ook van belang dat referent al sinds de oprichting van de v.o.f., medevennoot was van die onderneming tezamen met een andere medevennoot. Anders dan is gesteld door verweerder, beoogt het voornoemde beleid klaarblijkelijk te bewerkstelligen dat ingeval een persoon die op enig moment een lopend bedrijf overneemt waarin hij zelf vóór de overname daarvan geen aandeel heeft gehad, eerst na anderhalf jaar kan aantonen dat de inkomsten die hij heeft gegenereerd uit dat bedrijf ook voor de toekomst als voldoende gewaarborgd en dus als duurzaam worden aangemerkt. Daarvan is echter in casu geen sprake nu referent reeds een aandeel had in de v.o.f. welke hij heeft voortgezet als eenmanszaak. Dat er in het onderhavige geval sprake is geweest van een nieuwe inschrijving in het register van de Kamer van Koophandel, maakt het voorgaande niet anders. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte het standpunt ingenomen dat eiser aangemerkt wordt als startende ondernemer voor wat betreft de eenmanszaak en is in het verlengde daarvan bij de beoordeling van de vraag of referent zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige, ten onrechte buiten beschouwing gelaten de inkomsten die hij heeft gegenereerd uit de v.o.f.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen