Rb. Den Haag 8 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7029
Intrekking verblijfsvergunning / overschrijding beroepstermijn / vrees voor bloedwraak/ Bahaddar De beroepstermijn is overschreden. Er zijn geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar moet worden geacht. Dit laat onverlet dat onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar, de noodzaak kan bestaan om een in het nationale recht neergelegde procedureregel niet tegen te werpen. Zoals blijkt uit de op de zaak betrekking hebbende stukken is betrokkene naar aanleiding van zijn asielaanvraag in het bezit gesteld van een vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, omdat hij bij terugkeer naar Turkije vreest voor bloedwraak. Gezien de toentertijd door hem gestelde problemen, die zich naar hij stelt nog immer voordoen, en het in verband daarmee door verweerder erkende risico dat betrokkene in ieder geval liep als hij destijds zou moeten terugkeren naar Turkije, ziet de rechtbank aanleiding om te bezien of het hier gaat om een geval als omschreven in paragraaf 45 van het arrest Bahaddar, dat het noodzakelijk maakt dat artikel 69, eerste lid, van de Vw niet wordt tegengeworpen. De rechtbank zal ter beoordeling hiervan, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2483, eveneens het standpunt van verweerder betrekken. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen betrokkene heeft aangevoerd en overgelegd niet onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij diens uitzetting een refoulementverbod, meer in het bijzonder artikel 3 van het EVRM, schendt. Er is dan ook geen sprake van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden die het noodzakelijk maken dat artikel 69, eerste lid, Vw niet aan betrokkene wordt tegengeworpen. Het beroep is niet-ontvankelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl