Rb. Den Haag 30 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:5204

Het bestreden besluit strekt tot handhaving van de beëindiging van het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan. Eiseres heeft niet op enig moment op grond van artikel 8:12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000, dan wel artikel 7, eerste lid, onder a, van de richtlijn, hier te lande als werknemer recht gehad op verblijf van langer dan drie maanden. Eiseres heeft onvoldoende concreet gemaakt dat zij ten tijde van en voorafgaand aan het bestreden besluit een reële kans op werk had. De vraag of eiseres thans wel als economisch actieve EU-onderdaan dient te worden aangemerkt omdat zij in februari 2015 weer werk heeft gevonden, dient, gelet op de ex tunc toetsing in beroep, buiten beschouwing te blijven. Voorts oordeelt de rechtbank dat nu eiseres sinds 8 oktober 2013 een beroep doet op de publieke middelen, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres een onredelijke last vormt voor de publieke middelen. De persoonlijke omstandigheden van eiseres vormen geen grond om af te zien van verblijfsbeëindiging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen