Rb. Den Haag 21 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:4549

B9 Vc 2000, toepasselijk recht, aannemelijkheid verklaringen, Ri 2011/36, bijzondere individuele omstandigheden, ambtshalve toetsing artikel 3.6 Vb 2000 De rechtbank stelt vast dat het recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag van toepassing is. Dit recht was destijds neergelegd in artikel 3.52 van het Vb 2000 en in paragraaf B16/4.5 van de Vc 2000. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het aan eiseres is aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is geweest van mensenhandel op de wijze zoals door haar is omschreven. Dat eiseres gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd, volstaat niet. Richtlijn 2011/36 geen aanleiding hier anders over te denken. Evenmin dwingt de richtlijn tot de conclusie dat slachtofferschap van mensenhandel aangenomen dient te worden enkel op grond van de aangifte van eiseres van mensenhandel en de hierna aan haar verleende verblijfsvergunning. In hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht is geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het mensenhandelrelaas van eiseres niet aannemelijk is. Verweerder heeft in dit verband terecht belang gehecht aan het sepot en aan de in de besluiten benoemde verklaringen die op onderdelen vaag, summier en tegenstrijdig zijn. Verweerder stelt zich eveneens terecht op het standpunt dat de aangevoerde bijzondere individuele omstandigheden ook onder het van toepassing zijnde recht rechtstreeks verband moeten houden met mensenhandel. Nu verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geweest van mensenhandel op de wijze zoals door haar verklaard en eiseres, hoewel verweerder de mogelijkheid openlaat dat zij op enige andere wijze slachtoffer van mensenhandel is geweest, hier ook geen ander relaas tegenover heeft gezet, heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat de aangevoerde omstandigheden niet kunnen leiden tot inwilliging van de aanvraag, nu deze omstandigheden niet rechtstreeks verband houden met een (aannemelijk geacht) slachtofferschap van mensenhandel. Hoewel de ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onderscheidenlijk 6.1d, eerste lid, van het Vb 2000 te verrichten ambtshalve beoordeling zich gelet op het bepaalde in artikel 3.6, vijfde lid en artikel 6.1d, derde lid ook uitstrekt tot situaties waarin een reguliere verblijfsvergunning is ingetrokken of de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur is afgewezen, missen deze bepalingen niettemin toepassing. Ingevolge artikel 3.6, tweede lid, gelezen in samenhang met het tweede lid van artikel 6.1d, van het Vb 2000, is verweerder immers slechts gehouden tot een zodanige ambtshalve beoordeling als de (oorspronkelijke) aanvraag betrekking had op een verblijfsvergunning als limitatief genoemd in artikel 3.6, tweede lid, van het Vb 2000.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken