Rb. Den Haag 10 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:4045

Vordering vakcentrales tegen sectorwerkgever Rijk (Minister voor Wonen en Rijksdienst) met betrekking tot werkgeversdeel pensioenpremievrijval. Vakcentrales vorderen uitkering van deze vrijval in de vorm van een salarisverhoging van 0,8% met ingang van 1 januari 2015, terwijl de Minister deze vrijval wil betrekken in de nog te voeren cao-onderhandelingen sector Rijk, waarmee hij het standpunt inneemt dat van besteding eerst sprake kan zijn na het sluiten van een cao. Partijen twisten daarmee over de uitleg van een bepaling uit het Pensioenakkoord, meer in het bijzonder de zinsnede ‘volledige doorwerking via de sectorale cao-tafels’ . Deze bepaling dient aan de hand van het Haviltex-criterium te worden uitgelegd. De voorzieningenrechter stelt vast dat voor het standpunt van geen van beide partijen overtuigende steun kan worden gevonden in de tekst van het Pensioenakkoord. De bepaling dient te worden uitgelegd in het licht van hetgeen voorafgaand aan de ondertekening van het Pensioenakkoord in de Pensioenkamer en het SOR is besproken. Van doorslaggevende betekenis is hetgeen op 13 november 2014 in de Pensioenkamer is besproken en meer in het bijzonder hetgeen namens het VSO omtrent de intentie van de desbetreffende bepaling is verklaard. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat (a) het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval beschikbaar is met ingang van 1 januari 2015, (b) dit geld tot besteding moet komen en (c) dat de sectoren afspraken moeten maken over de besteding daarvan. Daarnaast kenden partijen tijdens dit overleg aan de zinsnede ‘volledige doorwerking via de sectorale cao-tafels’ dezelfde betekenis toe, te weten de duiding van de overlegtafel waaraan overleg dient te worden gevoerd over de besteding van de pensioenpremievrijval en niet de duiding van het onderhandelingsproces (het sluiten van een sectorale cao). De stelling van de Minister dat eerst een sectorale cao dient te worden afgesloten alvorens tot besteding van de pensioenpremievrijval kan worden gekomen, vindt aldus geen steun in het op 13 november 2014 bereikte onderhandelingsresultaat. Op grond van artikel 105 ARAR dient aan de sectorale cao-tafel Rijk overleg te worden gevoerd over zowel de besteding van het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval als over het voorstel van de Minister om de besteding van deze vrijval te betrekken bij de nog te voeren cao-onderhandelingen in de sector Rijk. De omstandigheid dat het Pensioenakkoord de besteding van de premievrijval niet koppelt aan het sluiten van een cao, laat immers onverlet dat de Minister aan de sectorale cao-tafel wel het voorstel kan doen om deze koppeling aan te brengen. Over dit voorstel alsmede over de besteding van de premievrijval dient met inachtneming van de voorschriften van artikel 105 ARAR te worden beslist. Vaststaat dat het overleg en de besluitvorming als hiervoor bedoeld tot op heden niet hebben plaatsgevonden. Dit staat – zoals van de zijde van Minister terecht is opgemerkt – aan toewijzing van de vordering van de vakcentrales in de weg.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen