Rb. Den Haag 4 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:3064
Eiser verhuurt vanaf 1 januari 1996 een aantal woningen. Daarnaast gaf eiser bedrijfsmatig bedrijfsadviezen en verleende hij administratieve ondersteuning. Bij eiser is een onderzoek ingesteld naar de jaren 2008, 2009 en 2010. In het controlerapport is onder meer geconcludeerd dat de exploitatie van de woningen met ingang van 2010 niet meer kan worden beschouwd als het drijven van een onderneming, maar valt onder sparen en beleggen (box 3), zodat de onderneming per 31 december 2009 als gestaakt moet worden beschouwd. Als gevolg van deze staking moet in 2009 worden afgerekend over de stille reserves. Daarnaast is in het rapport geconcludeerd dat de inkomsten die eiser genereert met het geven van bedrijfsadviezen en het verlenen van administratieve ondersteuning, met ingang van 2010 dienen te worden aangemerkt als ROW. De (navorderings)aanslagen IB en Zvw voor 2008, 2009 en 2010 zijn opgelegd met inachtneming van deze uitgangspunten, welke door eiser worden bestreden. Met name betwist eiser dat zijn kamerverhuurbedrijf ultimo 2009 is gestaakt. De rechtbank stelt voorop dat geen sprake is van een schending van het hoor- en inzagerecht en dat verweerder beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, omdat eiser door het niet aangegeven van bepaalde inkomsten niet de vereiste aangiften geeft gedaan. De rechtbank volgt vervolgens de conclusies uit het controlerapport en acht de geschatte (stakings)winst redelijk. Alleen het voor 2010 geschatte box 3 inkomen acht de rechtbank niet redelijk (te hoog). Tot slot oordeelt de rechtbank dat bij de navorderingsaanslag IB 2009 terecht een vergrijpboete van 50% is opgelegd en dat de bij de (navorderings)aanslagen berekende heffingsrente niet te hoog is.
De uitspraak op rechtspraak.nl