Rb. Den Haag 23 februari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2185
MK, asielwens geuit op 25 januari 2013, formele aanvraag ingediend op 11 juli 2013, door nodeloos lange wachttijd tussen asielwens en formele aanvraag heeft verweerder onvoldoende zorgvuldig gehandeld en had daarom niet in redelijkheid kunnen oordelen dat op eiser het herijkte amv-beleid van toepassing is. Strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Beroep gegrond. Samenvatting: Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Voorts heeft verweerder ambtshalve geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw, omdat eiser niet valt onder het beleid voor alleenstaande minderjarigen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten als bedoeld in paragraaf B8/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiser voert primair aan dat hij zijn asielwens heeft geuit op 24 januari 2013 en zich op 25 januari 2013 in AC Ter Apel heeft gemeld om zijn asielaanvraag in te dienen. Daarom moet 25 januari 2013 als aanvangsdatum van zijn asielprocedure gelden en niet 11 juli 2013, zodat aan het beleid voor amv’s had moeten worden getoetst zoals dat gold op 25 januari 2013. Subsidiair voert eiser aan dat moet worden getoetst aan het oude beleid, omdat hij niet binnen redelijke termijn nadat hij zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt in de gelegenheid is gesteld om zijn aanvraag in te dienen, zodat er sprake is van misbruik van bevoegdheid. De rechtbank volgt het primaire standpunt van eiser niet. Op het moment dat eiser aan alle wettelijke vereisten voor het indienen van de aanvraag heeft voldaan, is de aanvraagprocedure gaan lopen. Nu eiser op 11 juli 2013 zijn aanvraag heeft ingediend, heeft verweerder in beginsel terecht getoetst aan het herijkte amv-beleid, als bedoeld in paragraaf B8/6 van de Vc. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt overweegt de rechtbank dat het oordeel dat de aanvraag is ingediend op 11 juli 2013 niet betekent dat pas vanaf die datum de wettelijke beslistermijn, als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Vw, is gaan lopen. Op 24 januari 2013 heeft eiser immers zijn asielwens geuit en dit moet ingevolge de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden aangemerkt als een asielverzoek in de zin van de Procedurerichtlijn. Hoewel voor het ambtshalve verlenen van een amv-verblijfsvergunning geen wettelijke beslistermijn geldt, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat er bij ambtshalve besluiten geen rechtsbescherming tegen trage besluitvorming is. Uit het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel vloeit voort dat verweerder gehouden is om – gelet op alle omstandigheden van het geval- voldoende voortvarendheid in zijn besluitvorming te betrachten en binnen redelijke termijn te beslissen. Onder omstandigheden zou zelfs sprake kunnen zijn van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelt vast dat tussen de datum dat eiser zijn asielwens heeft geuit (en daarmee ook de termijn voor de ambtshalve beslissing of eiser in aanmerking komt voor een amv-vergunning is gaan lopen) en de datum waarop eiser door verweerder in de gelegenheid is gesteld zijn formele asielaanvraag in te dienen, een periode van ongeveer vijf en een halve maand is gelegen. Verweerder heeft geen afdoende verklaring gegeven voor dit tijdsverloop, zodat moet worden geoordeeld dat sprake is van een nodeloos lange wachttijd en dat verweerder onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Verweerder heeft daarom in het bestreden besluit in redelijkheid niet kunnen oordelen dat op eiser het herijkte amv-beleid van toepassing is. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl