Rb. Den Haag 18 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:16027
Appellant heeft een overeenkomst inzake lijfrentesparen als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 afgesloten. O.g.v. art. 295, vierde lid, onder c, Fw j° art. 21, aanhef en onder 7º, Fw valt de aanspraak op de spaarrekening in beginsel buiten de boedel. Rb komt niet toe aan beantwoording van de vraag of appellant onredelijk door afkoop wordt benadeeld als bedoeld in art. 22a Fw. Dat artikel heeft immers alleen betrekking op overeenkomsten van levensverzekering. Weliswaar vloeit uit de parlementaire geschiedenis voort dat de wetgever het verschil tussen pensioensparen en pensioenverzekering heeft willen opheffen, echter daarbij is artikel 22a Fw ongewijzigd gebleven.
De uitspraak op rechtspraak.nl