Rb. Den Haag 23 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:15951

De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9743, van oordeel dat verweerder op grond van de belastingaangiftes van eiser ervan heeft mogen uitgaan dat het onroerend goed een bestanddeel vormde van het vermogen waarover eisers in de periode in geding hebben beschikt of redelijkerwijs hebben kunnen beschikken. Doordat eisers ten onrechte niet hebben gemeld dat zij over vermogen in de vorm van onroerende zaken in Turkije beschikten, hebben eisers de op hun rustende inlichtingenverplichting geschonden. Verweerder was bevoegd om de bijstand over de periode in geding in te trekken en bevoegd de ten onrechte verstrekte bijstand terug te vorderen. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder van die bevoegdheden in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken