Rb. Den Haag 3 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:15873
De rechtbank is van oordeel dat het ambtsbericht ook bezien in samenhang met de toelichting bij het Besluit van 16 oktober 2015 onvoldoende concrete aanwijzingen bevat voor (de verwachting van) een aanzienlijke toename van illegaal verblijf. Weliswaar zijn de cijfers met betrekking tot de toename van de asielinstroom algemeen bekend. En wellicht bedoelt de commandant van de KMar er in zijn ambtsbericht op te wijzen dat zich onder de asielzoekers mensen bevinden die nimmer een asielaanvraag willen/zullen indienen, waardoor er mag worden verwacht dat er (gelet op de hoge aantallen) een aanzienlijke toename van illegaal verblijf zal zijn. Of wellicht gaat het er om dat de verwachting is dat het hoge aantal ongeregistreerde vreemdelingen in een aantal andere landen in Europa effect zal krijgen op de situatie in Nederland. Dat blijkt echter nergens uit. En het was nu juist de bedoeling om zo concreet en feitelijk mogelijk te onderbouwen dat er aanwijzingen zijn dat er sprake is van een aanzienlijke toename van illegaal verblijf na grensoverschrijding, dan wel dat een dergelijke toename kan worden verwacht. Het criterium is niet een aanzienlijke toename van de instroom (die je nog wel onderbouwd zou kunnen vinden met de algemeen bekende feiten over aantallen e.d.), maar een (verwachte) aanzienlijke toename van illegaal verblijf; een concrete en feitelijke onderbouwing daarvan kun je niet kennen uit of vinden in algemeen bekende gegevens. Dat betekent dat het Besluit van 16 oktober 2015 niet voldoet aan de eisen die artikel 4.17b van het Vb er aan stelt. Het is om die reden onverbindend. Het besluit van 16 oktober 2015 kan niet de basis zijn voor eisers staandehouding. Die staandehouding moet dan ook in strijd met de wet (artikel 4.17a van het Vb) worden geacht. Het belang om gevrijwaard te blijven van een staandehouding op grond van een regeling die onverbindend moet worden geacht is zwaarwegend. Verweerder heeft geen belangen gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de onrechtmatigheid van de staandehouding geen gevolgen zou moeten hebben voor de rechtmatigheid van de bewaring. De aan de maatregel ten grondslag liggende belangen kunnen in redelijkheid ook niet als zodanige belangen worden aangemerkt. Dat betekent dat de bewaring moet worden opgeheven.
De uitspraak op rechtspraak.nl