Rb. Den Haag 19 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13905
Aan eiser is de verplichting opgelegd de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit) en aan hem is een inreisverbod opgelegd voor een periode van vijf jaar. Ondanks dat eiser in juli 2015 zelfstandig is teruggekeerd naar Albanië, heeft hij procesbelang bij de beoordeling van het beroep tegen het terugkeerbesluit. Het procesbelang is erin gelegen dat eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte een termijn voor vrijwillig vertrek in het terugkeerbesluit heeft onthouden, hetgeen van invloed is op het inreisverbod. Vaststaat dat voor eiser tot 11 september 2016 een SiS-signalering geldt. De stelling van eiser dat hij niet op de hoogte is van de SiS-signalering wordt niet gevolgd. Eiser wist dan wel had redelijkerwijs kunnen weten dat hij het Schengengebied niet mocht betreden. Gelet op de aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegde gronden bestaat het risico op onttrekking aan het toezicht. Verweerder heeft eiser daarom een vertrektermijn kunnen onthouden. Het inreisverbod is bevoegd uitgevaardigd. Het proces-verbaal van het gehoor bevat geen concreet aanknopingspunt op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat eiser onvoldoende is gehoord. Geen schending van de hoorplicht. Nu eiser zich in Nederland bevond ondanks de SiS-signalering, bedraagt op grond van artikel 6.5a, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 de duur van het inreisverbod ten hoogste vijf jaren. Verweerder heeft op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 geen humanitaire redenen hoeven aannemen op grond waarvan had moeten worden afgezien van het uitvaardigen van het inreisverbod dan wel om de duur daarvan te verkorten, nu van dergelijke redenen niet is gebleken. Evenmin is het inreisverbod onevenredig. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl