Rb. Den Haag 9 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13586

voortduring vrijheidsontnemende maatregel na afwijzend asielbesluit, artikel 5.1b, derde lid, aanhef en onder j, Vreemdelingenbesluit De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het afwijzende asiel besluit, zoals nader toegelicht ter zitting, op het standpunt kon stellen dat de vrijheidsontnemende maatregel diende te worden voorgezet omdat de openbare orde zulk vordert vanwege het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Voor de vraag of verweerder terecht artikel 5.1b, derde lid, aanhef en onder j, Vb heeft tegengeworpen is reeds voldoende dat wordt vastgesteld dat eiser aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en deze aanvraag in de grensprocedure is afgedaan als zijnde kennelijk ongegrond. Artikel 51, derde lid, aanhef en onder j, Vw stelt immers niet als voorwaarde dat reeds is vastgesteld dat het besluit waarbij de asielaanvraag is afgewezen rechtmatig is. De rechter die het beroep en de voorlopige voorziening tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag zal behandelen, dient dit te beoordelen. Indien die rechter oordeelt dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, kan eiser de bewaringsrechter om opheffing van de maatregel en een schadevergoeding verzoeken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen