Rb. Den Haag 29 september 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:12368
De Zwitserse ambassade in Sri Lanka heeft namens verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een visum kort verblijf voor verblijf bij referenten afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt in Nederland. In het bestreden besluit heeft verweerder zich onbevoegd verklaard om op het bezwaar van eiser te beslissen. Eisers betwisten niet langer dat de bevoegdheid geheel is overgedragen (aan Zwitserland) en artikel 8, vierde lid, sub d Visumcode aan de orde is. Eisers voeren aan dat zij in strijd met artikel 13 EVRM en de artikelen 7 en 47 van het Handvest niet op een effectieve wijze op kunnen komen tegen een schending van artikel 8 EVRM. De rechtbank overweegt dat de ambassade van Zwitserland het besluit op de aanvraag heeft genomen zodat eisers het rechtsmiddel tegen de afwijzing van hun aanvraag, conform artikel 32, derde lid, Visumcode in Zwitserland moeten indienen. In het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar de rechtsmiddelclausule bij het primaire besluit, waarin naam en adres van de bevoegde autoriteiten zijn opgenomen. In de procedure in Zwitserland zullen artikel 8 EVRM en overige grieven aan de orde gesteld kunnen worden. Van een schending van artikel 13 EVRM en de artikelen 7 en 47 van het Handvest is geen sprake. Voorts is de rechtbank van oordeel dat hetgeen eisers aanvoeren omtrent het indienen van een tweede aanvraag bij de Nederlandse ambassade in de onderhavige procedure niet ter toetsing voorligt. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook geen overwegingen hieraan gewijd en was hiertoe evenmin gehouden.
De uitspraak op rechtspraak.nl