Rb. Den Haag 7 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:12172
Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000, ‘te kwader trouw’ Eisers stellen dat geen sprake is van kwade trouw als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 en dat verweerder hun asielaanvraag daarom ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Deze grief slaagt. De rechtbank stelt vast dat eisers bij hun aanvraag echt bevonden identiteitsbewijzen hebben overgelegd en dat verweerder de daarin vermelde persoonsgegevens voor waar heeft aangenomen. Om die reden heeft verweerder de aanvragen van eisers ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Blijkens de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de herziene Procedure- en Opvangrichtlijn behelst het begrip ‘kwade trouw’ immers een vorm van opzettelijk handelen, waarbij veelal zal kunnen worden aangenomen dat de vreemdeling het oogmerk heeft zichzelf in een gunstiger positie te brengen. In het geval van eisers kan uit de verklaringen van eisers weliswaar worden afgeleid dat zij zich opzettelijk van hun paspoorten hebben ontdaan, maar is niet gebleken dat eisers daarbij het oogmerk hadden zichzelf in een gunstiger positie te brengen door hun ware identiteit te verhullen. Eisers hebben ter zitting juist verklaard dat zij wel hun identiteitskaarten hebben overgelegd om zo hun identiteit te kunnen aantonen. De stelling van verweerder ter zitting, dat het opzettelijk vernietigen of zich ontdoen van een identiteitsdocument reeds op zichzelf aannemelijk maakt dat dit te kwader trouw is geschied volgt de rechtbank niet. Uit de redactie van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, - met name het feit dat de term ‘te kwader trouw’ tussen komma’s is geplaatst – blijkt dat de aanwezigheid van kwade trouw naast de opzettelijkheid van het vernietigen of zich ontdoen van een identiteitsdocument een zelfstandig vereiste is voor tegenwerping van dit onderdeel. Derhalve moet voor tegenwerping van dit onderdeel niet alleen komen vast te staan dat sprake is van opzettelijke vernietiging of zich opzettelijk ontdoen van een identiteitsdocument, maar ook van een oogmerk om zich daarmee in een gunstiger positie te brengen. De bewijslast van dit oogmerk ligt bij verweerder, zij het dat verweerder kan volstaan met het onderbouwen van de waarschijnlijkheid dat dit kwade oogmerk zich voordoet. Het bestreden besluit noch de gedingstukken geven er blijk van dat verweerder onderzoek heeft gepleegd naar de vraag of eisers zich door het vernietigen van hun paspoorten in een gunstiger positie hebben willen brengen.
De uitspraak op rechtspraak.nl