Rb. Den Haag 2 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:11418
Besluit tot uitstel toegangsweigering en besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw. Grensprocedure. Besluit uitstel toegangsweigering: ondanks de bewoordingen van het besluit, is hiermee niet bedoeld eiser de toegang tot Nederland te weigeren maar het besluit daarover uit te stellen. Tevens vindt het besluit zijn grondslag in artikel 3, vierde lid, Vw. Dat in het besluit wordt verwezen naar “artikel 3, eerste lid Vw, in samenhang met artikel 3, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000” leidt niet tot een ander oordeel. De verwijzing naar het eerste lid van artikel 3 Vw in het besluit is zonder betekenis. Uit de bewoordingen van het vierde lid van artikel 3 Vw blijkt immers dat “de weigering van toegang tot Nederland” wordt uitgesteld of opgeschort als de grensprocedure wordt toegepast. Hoewel op grond van de bewoordingen ervan geconcludeerd moet worden dat het besluit op ondeugdelijke wijze is gemotiveerd, bestaat aanleiding om deze schending van de motiveringsplicht met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren. Besluit tot oplegging vrijheidsontnemende maatregel: reeds uit het vermelden in het besluit dat uitstel van de toegangsweigering ingevolge artikel 3, vierde lid, Vw is verleend, blijkt dat de grensprocedure zal worden toegepast. Daarmee wordt voldaan aan het vereiste van artikel 6, derde lid, Vw. Er is geen grond voor het oordeel dat een op artikel 6, derde lid, Vw gebaseerde vrijheidsontnemende maatregel vereist dat in dat besluit dient te worden gemotiveerd waarom de grensprocedure in de asielzaak wordt toegepast. De artikelen 31, achtste lid, en artikel 43, eerste lid, Procedurerichtlijn en artikel 3.109b, eerste lid, Vb dwingen niet tot de conclusie dat verweerder aan de aanvang van de grensprocedure een pré-toets vooraf moet laten gaan. De handelwijze van verweerder wordt juist geacht om tijdens de behandeling van de asielaanvraag voortdurend te toetsen of de aanvraag nog steeds binnen de grensprocedure kan worden behandeld. Verweerder mocht een redelijke termijn worden gegund om door middel van het afnemen van een eerste gehoor enig onderzoek te verrichten naar eisers gestelde identiteit en reisroute. Uit de motivering van de maatregel blijkt door de ambtenaar belast met grensbewaking heeft onderzocht of bij eiser sprake was van bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding zouden zijn om van de oplegging van de maatregel af te zien en daarmee het grensbewakingsbelang prijs te geven.
De uitspraak op rechtspraak.nl