Rb. Den Haag 1 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:11350

[geloofwaardigheidsbeoordeling; wijze van toetsen] Zoals volgt uit de toelichting bij het voorstel van de Commissie (COM 2009 (554)) is artikel 46, derde lid, van de herziene Procedurerichtlijn gebaseerd op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) en het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: het EHRM). Bij de beantwoording van de vraag of artikel 83a van de Vw 2000 als implementatie van artikel 46, derde lid, van de Richtlijn noopt tot een beoordelende in plaats van een toetsende rechter dient de rechtbank daarom deze rechtspraak te betrekken. De rechtbank overweegt dat in de rechtspraak van het EHRM onvoldoende aanknopingspunten te vinden zijn dat met artikel 46, derde lid, van de Richtlijn en de vermelding in die bepaling dat een volledig onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden moet plaatsvinden, een beoordelende in plaats van een toetsende (nationale) rechter is beoogd. Waar het gaat om de intensiteit van de toetsing volgt uit de rechtspraak van het Hof en het EHRM dat de rechtbank indringender dan voorheen de beoordeling door het bestuursorgaan van de geloofwaardigheid van het asielrelaas moet toetsen. Dit vergt dat de rechtbank indringender dan voorheen toetst of de onderbouwing van (de relevante elementen van) de geloofwaardigheidsbeoordeling van het bestuursorgaan feitelijk juist, volledig en consistent is, en of de onderbouwing het asielbesluit kan dragen. Deze toets omvat zowel de zorgvuldigheid van de procedure als de motivering van het besluit, in onderlinge samenhang bezien. Voor de mate van indringendheid van die toets blijft naar het oordeel van de rechtbank van belang dat, zoals volgt uit jurisprudentie van de Afdeling, het bestuursorgaan beter dan de bestuursrechter in staat is om die beoordeling te verrichten, gegeven de bij het bestuursorgaan bestaande kennis en ervaring. Dit brengt met zich dat de toetsing door de bestuursrechter van de geloofwaardigheidsbeoordeling indringender dient te zijn, naarmate die beoordeling in mindere mate specifieke kennis en ervaring vereist. Daarbij is van belang dat de bestuursrechter, tijdens het vooronderzoek dan wel op het onderzoek ter zitting, indien de beroepsgronden daarvoor aanleiding geven, zich actief door partijen laat voorlichten om zodoende een invulling te geven aan een rol die passend is in het licht van de jurisprudentie van het EHRM en het Hof.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken