Rb. Den Haag 21 augustus 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:11129
Aanslag erfbelasting. Tot de nalatenschap behoren o.a. aandelen in een BV. Eiseres is erfgename en heeft verzocht om toepassing van de mantelzorgvrijstelling en om toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOR). De rechtbank oordeelt dat eiseres niet als partner van erflaatster kan worden aangemerkt. Met betrekking tot de vrijstelling BOR is de rechtbank van oordeel dat het vermogen van de BV volledig aangemerkt kan worden als ondernemingsvermogen. De (voorwaardelijke) vrijstelling van de BOR is dan ook terecht toegekend door verweerder en de rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te volgen in zijn nader standpunt dat de leningen en de overige liquide middelen behoren tot het privévermogen van eiseres. Gelet op het oordeel van de rechtbank inzake het ondernemingsvermogen kan de latente belastingschuld in mindering worden gebracht op de belaste verkrijging. Voorts dient de belaste verkrijging nog verder te worden verminderd omdat verweerder de aanslag bij de uitspraak op bezwaar nog niet met de verlaging van de WOZ-waarde van de woning van erflaatster heeft verminderd. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl