Rb. Den Haag 10 september 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:10956
Verweerder heeft bij vijf afzonderlijke brieven eiseres verzocht tot terugbetaling van bijdragen uit het btw-compensatiefonds. Over deze brieven wordt geprocedeerd voor de belastingrechter. Uiteindelijk beslist de Hoge Raad dat de brieven geen beschikkingen zijn als bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet op het BTW compensatiefonds. De Hoge Raad verwijst de zaak naar de Rechtbank die moet onderzoeken of de brieven beschikkingen zijn als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank overweegt dat het met de brieven beoogde rechtsgevolg slechts kan worden bereikt met een beschikking in de zin van artikel 9, vierde lid, van de Wet op het BTW compensatiefonds. Nu de Hoge Raad heeft beslist dat de brieven niet kunnen worden aangemerkt als dergelijke beschikkingen, kan daaraan ook niet het door verweerder beoogde rechtsgevolg worden verbonden. De brieven zijn dus geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. De rechtbank, in haar hoedanig van bestuursrechter, verklaart zich daarom onbevoegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl