Rb. Den Haag 19 februari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8952
Kort geding. Eiser is voor de tenuitvoerlegging van een in België aan hem opgelegde gevangenisstraf overgebracht naar Nederland. Vordering tot staking, althans opschorting gevangenisstraf wordt door de voorzieningenrechter afgewezen. Eiser stelt dat hij in België nadat hij éénderde van zijn gevangenisstraf had ondergaan in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke in vrijheidstelling, terwijl dit in Nederland pas mogelijk is na het ondergaan van tweederde deel van de gevangenisstraf. Gezien de regelgeving die van toepassing was op het moment dat de minister besliste over de voorwaarden waaronder hij instemde met de overbrenging van Weber naar Nederland, kon hij in redelijkheid beslissen dat voorwaardelijke in vrijheidstelling zou worden verleend na tweederde van de gevangenisstraf. Onder die voorwaarde hebben Belgische autoriteiten ingestemd met de overbrenging van eiser. Van die gemaakte afspraken kan niet zonder meer eenzijdig worden afgeweken. Bovendien staat niet vast dat eiser is België na tenuitvoerlegging van eenderde van de gevangenisstraf voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld, omdat die voorwaardelijke invrijheidstelling in België pas wordt verleend na rechterlijke toets.
De uitspraak op rechtspraak.nl