Rb. Den Haag 7 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8527
In het Regeerakkoord van 29 oktober 2012 is opgenomen dat langdurig in Nederland verblijvende kinderen en alleenstaande minderjarige vreemdelingen onder voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning. Bij besluit van 30 januari 2013, WBV 2013/1, is vervolgens de Overgangsregeling door middel van een wijziging in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) vastgelegd. De rechtbank acht het beleid, zoals neergelegd in de Overgangsregeling, niet kennelijk onredelijk. Dit betekent dat de voorwaarde dat alleen vreemdelingen voor een vergunning in aanmerking komen die zich niet aan het toezicht hebben onttrokken naar het oordeel van de rechtbank niet kennelijk onredelijk is. Evenmin acht de rechtbank kennelijk onredelijk de door verweerder gegeven uitleg dat de zinsnede “in het kader van een opgelegde meldplicht” verwijst naar de in artikel 4.51 van het Vb 2000 neergelegde meldplicht. De vraag die vervolgens ter beoordeling voorligt is of eiser 1 zich gedurende de periode van verblijf in Nederland langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht). Daarbij is van belang dat verweerder aanleiding heeft gezien in het beleid vast te leggen wanneer de IND aanneemt dat sprake is van niet langdurig onttrekken aan het toezicht, waarbij “uit beeld zijn” een rol speelt. Waar “onttrekken aan het toezicht” een actieve rol van de vreemdeling veronderstelt, ligt dat naar het oordeel van de rechtbank bij het begrip “uit beeld zijn” anders. Niet is in geschil dat eiser 1 en ook de overige eisers zich vanaf 19 oktober 2011 niet hebben gewend tot de IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie, althans niet tot 25 februari 2012 (de door verweerder in het primair besluit, bladzijde 6, van de hoofdpersoon neergelegde datum ten aanzien van eiser 5) en tot 29 maart 2012 (de door verweerder in het primair besluit van de hoofdpersoon neergelegde datum ten aanzien van de overige eisers). Het voorgaande betekent nog niet per definitie dat de hoofdpersoon en eisers ook “uit beeld” zijn geweest bij de IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie. Eisers hebben voldoende onderbouwd dat zij gedurende de periode van belang bij DT&V in beeld waren, gezien de ter zitting van 25 april 2014 zijdens eisers overgelegde brief van 5 april 2012. Die brief is gericht aan de familie [eisers], [adres] in [plaats] en is afkomstig van de Directie Voorbereiden Vertrek van DT&V. De brief behelst een uitnodiging om op 16 april 2012, om 13:00 uur, te verschijnen op het IND-kantoor in [plaats] in verband met een gesprek betreffende de mogelijkheden en plichten ter realisering van het vertrek uit Nederland en tevens het opmaken van een aanvraag voor een (vervangend) reisdocument. De brief is ondertekend door de regievoerder vertrek. De datum van 5 april 2012 is gelegen kort na de periode waarin volgens verweerder eisers buiten beeld zijn geweest van DT&V. Door verweerder is niet gesteld, noch blijkt dit uit het dossier, dat de brief van DT&V niet in het licht moet worden gezien van de handelingen die door DT&V worden verricht in het kader van vertrek in verband met het al langer durende onrechtmatig verblijf van eisers. Ter zitting van 25 april 2014 is door verweerder in dit verband opgemerkt dat het mogelijk is dat DT&V eerst in april contact heeft gezocht omdat het om een gezin gaat. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat eisers weliswaar geen contact hebben gehad met DT&V in genoemde periode, maar niet buiten beeld waren.
De uitspraak op rechtspraak.nl