Rb. Den Haag 7 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8339
Dublin III, artikel 9, artikel 16, gezinsleven. Door Zweden is aan verzoekster een visum verstrekt. Verzoekster betoogt echter dat Nederland op grond artikel 9 van Verordening 604/2013 verantwoordelijk is nu zij gehuwd is en haar echtgenoot weliswaar sinds 1995 de Nederlandse nationaliteit heeft, maar daarvóór een C-status waaruit volgt dat hij destijds is toegelaten als persoon die internationale bescherming behoeft. De tekst van artikel 9 maakt niet duidelijk of het moet gaan om iemand die ooit is toegelaten als persoon die internationale bescherming behoeft, of om iemand aan wie het (nog altijd) is toegestaan in een lidstaat te verblijven omdat hij internationale bescherming behoeft. Op basis van de Duitse taalversie, de toelichting in het Commissievoorstel van 3 december 2008 en de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2009 (JV 2009, 335), is de voorzieningenrechter van oordeel dat artikel 9 in dit geval niet van toepassing is omdat de echtgenoot van verzoekster in 1995 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Artikel 16 is evenmin van toepassing nu daarin echtgenoten niet worden genoemd en uit de totstandkoming van de Verordening volgt dat dit een bewuste keuze is geweest. Ook het beroep op artikel 17 faalt waarbij van belang is dat Verordening 604/2013 specifieke bepalingen bevat over de relevantie van het verblijf van een gezinslid in een lidstaat en de afhankelijkheid van bepaalde gezinsleden voor de vraag welke lidstaat een asielverzoek moet behandelen. Dit maakt dat niet snel moet worden geoordeeld dat in gevallen die niet voldoen aan de in die bepalingen neergelegde criteria, lidstaten toch gehouden zou zijn tot het in behandeling nemen van aanvragen vanwege de aanwezigheid van gezinsleden en afhankelijkheid van hen.
De uitspraak op rechtspraak.nl